- taal
- nederlands
- locatieomschrijving
- Venetien
- onderwerpsomschrijving
- Jacobus Laars, kapitein van het schip genaamd De Unie, verklaart dat hij op het schip heeft gevaren als zetschipper, zonder enig belang in de rederijen en verbaast zich over de verklaring voor notaris Jan Verleij ten behoeve van stuurman Pieter Bruijn, van zijn gewezen kok en drie matrozen, dat Jacobus Laars op 23 april 1767 volk heeft gemonsterd, waarna hij met het schip en met naar Texel is gezeild en daar met de laatste lichter goed aan boord is gekomen. Hij ontdekte daar dat stuurman Bruijn aan een borstkwaal leed en zo erg hoestte dat het leek of hij zou stikken. Bruijn zei dat het een oude kwaal was, die steeds erger werd, waardoor hij fluimen met bloed opgaf. Jacobus Laars vond het lastig hem met die kwaal aan boord te hebben en liet een dokter aan boord komen, die vond dat het niet verantwoord was om Bruijn aan boord te houden. Hij is in Venetië van boord gegaan en uit zijn dienst ontslagen. Hij heeft wel zijn verdiende gage ontvangen. Laars heeft toen zijn bootsman als stuurman aangenomen.
- locationTextualValue
- Texel